Hoeveel D’s?



Ik haat ze. Ze zitten verschrikkelijk, passen niet achter mijn oren, glijden van mijn neus, belemmeren mijn zijzicht totaal en bovendien zien ze er nog vies uit ook. Ik bedoel niet hun looks, alhoewel die ook wel wat te wensen overlaat, maar wel dat ze onder de vlekjes zitten die je er ondanks hardnekkig wrijven nooit helemaal af krijgt.
3D brillen.

“My memory of 3D movies is Fernando Lamas in a swashbuckling movie. And I suppose it had been the fifties, in which swords came out at you, bullets came out at you, things were thrown into the auditorium, apparently. All that sort of cheap, “Oh, look at us, we’ve got 3D” isn’t in the film.”
– Ian Mckellen

Deze moet je echt in 3D zien, zegden ze. Wij vermijden het normaal gezien zoveel mogelijk, want ja, hoera, ik sta niet alleen in mijn afkeer. Op een enkele toevallige keer na, lukt dat aardig. Nu keken wij voor een keer geheel bewust en gehoorzaam 3D.
Het eerste kwartier balanceerde het brilletje op zowat elke plek op mijn neus. Ofwel werd de ondertiteling wazig, ofwel de beelden. Tegen de tijd dat Dr Strange leerde toveren, ontdekte ik dat ik het onding best niet achter mijn oren hang, maar los over mijn haren, daarbij de oortjes als voelspieten schuin naar boven stekend. Mezelf een gigantisch kever voelend, vloog ik tussen de verschuivende gebouwen. Ik beken: het was spectaculair.

En toen mocht ik een tweede keer naar diezelfde film. Digitaal. Verschuiven werd draaien en uitwaaieren. Kleuren schenen magischer. Vond ik de éne versie beter dan de andere? Niet echt. In de 3D versie overheerst het spektakel, bij digitaal primeren schoonheid en kleurenpalet.
Mijn comfort geeft voor mij de doorslag. Ik kijk liever als een vrij en breedkijkend mens dan als een beknotte tor met tunnelzicht.